Een bestandsformaat is de manier waarop gegevens in een computerbestand worden opgeslagen. Kenmerken van een echte Open Standaard zijn:
Een open standaard die niet door een non-profit organisatie is goedgekeurd wordt een vrije specificatie genoemd.
De belangrijkste voordelen van open bestandsformaten zijn: leveranciersonafhankelijkheid, toegankelijkheid, interoperabiliteit, digitale duurzaamheid en het volgen van overheidsrichtlijnen. Het gebruik van open bestandsformaten kent geen nadelen, bij de invoering daarentegen kunnen er grote problemen ontstaan door de in een organisatie bestaande vendor lock-in.
Open bestandsformaten moeten al bij archiefvorming worden gebruikt. Als ze pas later worden toegepast, dan moeten de bestanden worden geconverteerd of gemigreerd en daarmee kan de authenticiteit van de archiefbescheiden in gevaar komen.
De bekendste open bestandsformaten zijn HTML (voor webpagina’s ), TIFF (voor afbeeldingen), PDF/A (voor statische documenten) en ODF (voor kantoordocumenten).
In de praktijk wordt met een open standaard meestal een open bestandsformaat bedoeld.
De Nederlandstalige Wikipedia (Open Standaard, 2007) heeft het bij de definitie van Open Standaarden vooral over de gevolgen van het gebruik van Open Standaarden.
Open standaarden zijn publiek beschikbare specificaties om een bepaalde taak te volbrengen (veelal in gebruik bij hard- en software). Doordat iedereen de standaard mag gebruiken, neemt de uitwisselbaarheid tussen de verschillende soorten hardware- en softwareonderdelen toe. Met andere woorden; men kan dan zelf kiezen, welk softwareprogramma en/of welke computerapparatuur men aanschaft en gebruikt. Hierdoor is men minder afhankelijk van een bepaalde hardware- en/of softwareleverancier, dan wel dienstverlener. Wel is het zaak, dat men de juiste technische kunde en noodzakelijke apparatuur weet te (ver)krijgen, waarop oplossingen van andere fabrikanten (naadloos) kunnen aansluiten.
De Engelstalige Wikipedia (Open Format, 2007) beschrijft wat een open bestandsformaat is:
An open format is a published specification for storing digital data, usually maintained by a non-proprietary standards organization, and free of legal restrictions on use. For example, an open format must be implementable by both proprietary and free/open source software, using the typical licenses used by each. In contrast to open formats, proprietary formats are controlled and defined by private interests. Open formats are a subset of open standards. The primary goal of open formats is to guarantee long-term access to data without current or future uncertainty with regard to legal rights or technical specification. A common secondary goal of open formats is to enable competition, instead of allowing a vendor’s control over a proprietary format to inhibit use of competing products. Governments have increasingly shown an interest in open format issues.
Bruce Perens, een van de oprichters van de Open Source Initiative, heeft een heel uitgebreide beschrijving van de definitie van open standaarden beschreven, maar dat valt buiten het bereik van deze scriptie.
Overheid.nl (2006) noemt in de Webrichtlijnen een Open Standaard ‘een standaard dat [sic] van niemand eigendom is en door iedereen gebruikt mag worden. Niemand is eigenaar van bijvoorbeeld HTML of CSS. Dit in tegenstelling tot proprietary (gesloten) standaarden, zoals Microsoft’s Word-formaat.’
OSOSS (2007a) en Van den Assem et al (2007) verstaan onder een Open Standaard een standaard die voldoet aan de volgende eisen:
1. De standaard is goedgekeurd en zal worden gehandhaafd door een not-for-profit organisatie, en de lopende ontwikkeling gebeurt op basis van een open besluitvormingsprocedure die toegankelijk is voor alle belanghebbende partijen (consensus of meerderheidsbeschikking enz.);
2. De standaard is gepubliceerd en over het specificatie document van de standaard kan vrijelijk worden beschikt of het is te verkrijgen tegen een nominale bijdrage. Het moet voor een ieder mogelijk zijn om het te kopiëren, beschikbaar te stellen en te gebruiken om niet of tegen een nominale prijs;
3. Het intellectuele eigendom - m.b.t. mogelijk aanwezige patenten - van (delen van) de standaard is onherroepelijk ter beschikking gesteld op een royalty-free basis;
4. Er zijn geen beperkingen omtrent het hergebruik van de standaard;
Nu rijst wel de vraag wat precies een ‘nominale bijdrage’ is. Bijvoorbeeld NEN-ISO 19005-1:2005 (PDF 1.4) kost € 75 excl. BTW en verzendkosten. Zo’n bedrag kan toch een behoorlijke drempel opwerpen en dat maakt zo’n standaard toch een stuk minder open.
In het Actieplan ‘Nederland open in verbinding’ (Heemskerk, 2007) gebruikt het kabinet naast deze nog twee andere gradaties van openheid, naar analogie van het Belgische model:
Open Specificatie: een open specificatie is een specificatie die is gepubliceerd en over het document van deze specificatie kan vrijelijk worden beschikt. Of het is te verkrijgen tegen een nominale bijdrage. Het moet voor een ieder mogelijk zijn om het te kopiëren, beschikbaar te stellen en te gebruiken ‘om niet’ of tegen een nominale prijs.
Vrije Specificatie: een vrije specificatie is een open specificatie die vrij is van juridische beperkingen die het gebruik en verspreiding bemoeilijken. Het intellectuele eigendom - met betrekking tot mogelijk aanwezige patenten - van (delen van) de standaard is onherroepelijk ter beschikking gesteld aan iedereen op een ‘royaltie [sic] free’ basis. (p. 22)

Elke andere combinatie van criteria wordt als een gesloten standaard beschouwd.
Door deze definities ontstaan er gradaties in openheid zodat organisaties met tijdelijke tussenoplossingen kunnen werken wanneer er nog geen open standaard beschikbaar is voor een bepaalde situatie.
Behalve het bovengenoemde onderscheid kun je standaarden ook onderverdelen in de jure standaarden en de facto standaarden. ‘De jure standaarden zijn standaarden die zijn vastgelegd door officiële standaardiseringsorganisaties. Deze internationale, regionale of nationale organisaties danken hun officiële status door de participatie van een (inter-)gouvernementele instanties’ aldus Boudrez (2005). Hij definieert de facto standaarden als: ‘standaarden [die] zijn vastgelegd door niet-officiële standaardiseringsorganisaties of vanwege hun wijdverspreidheid de norm [zijn] geworden’. (p. 2)
Veel standaarden komen tot stand binnen de niet-officiële standaardisatieorganisaties als OASIS (Organization for the Advancement of Structured Information Standards), W3C (World Wide Web Consortium) en AIIM (Association for Information and Image Management). De jure standaardisatieorganisaties zoals ISO (International Organization for Standardization) en NEN (NEderlandse Norm) beperken zich vaak tot het ratificeren van die de facto standaarden. Theunissen (2007) beschrijft de werking van standaardisatieorganisaties als volgt: ‘Deze (non-profit) organisaties werken internationaal, neutraal en onafhankelijk. Zij staan er borg voor dat een standaard open, beschikbaar en volgens strikte spelregels gehandhaaft [sic] blijft. Er wordt geen voorkeur van leverancier gegeven vanuit de standaardorganisaties.’ (p. 5). ‘De standaarden komen tot stand door gezamenlijk overleg van de verschillende ICT-leveranciers in de schoot van de standaard-organisatie. Met andere woorden, ze zijn het resultaat van een consensus en kunnen nooit eigendom zijn van slechts één leverancier.’ (Theunissen, 2007, p. 5) ‘De goedkeuring van een norm (…) vindt plaats via een stemprocedure ter afsluiting van een periode van openbaar onderzoek waarin commentaar kan worden verkregen van vertegenwoordigers uit sociaal-economische kring (zoals bedrijfsleven, consumentenorganisaties, milieuorganisaties).’ (Europese Commissie, 2005, p. 22).
In het Actieplan Nederland Open in Verbinding stelt het Kabinet het gebruik van open standaarden als norm.
Deze pagina heeft de volgende subpagina's.